De villa aan de overkant
Gepubliceerd in De Standaard - 21 januari 2026
Ik schrijf dit bericht vanuit een statig huis aan de Wannsee. De komende maand werk ik hier aan mijn nieuwe boek, ver weg van het leven dat ik normaal leid. Het is een schrijvershuis. Ik loop naar de keuken op het gelijkvloers om kopjes thee te maken. Daar kijk ik naar het meer dat voor me ligt.
De villa waar ik in verblijf, heeft in het verleden verschillende vaste bewoners gekend. Ze werd gebouwd door een aannemer. Diens kleinzoon verhuurde het aan een bankdirecteur, zoals dat gaat met statige gebouwen. De bankdirecteur gaf er onderdak aan een bevriende schrijver, die hier zijn manuscript afrondde.
In de jaren 40 werd aan de overkant van het meer de verschrikkelijkste samenkomst ooit gehouden: de Wannsee-conferentie. In minder dan twee uur werd besproken hoe je 11 miljoen mensen kunt vermoorden en laten verdwijnen op de goedkoopste en meest efficiënte manier.
Dat was 1942. Toen was deze villa al ingenomen door de nazi’s. Volgens een bordje dat ik deze namiddag las, ontwikkelde de marine er nog een “eenmans-torpedo”.
Ik stel me voor hoe de Amerikanen hier pokerden, met zicht op de Wannsee.
Na de Tweede Wereldoorlog werd de villa een casino-hotel voor Amerikaanse soldaten. Ik stel me voor hoe ze met zicht op de Wannsee pokerden. En hoe ze het oude kapelletje omvormden tot een bar. En dan, in de jaren 60, werd dit gebouw het Literarisches Colloquium Berlin. Een literatuurhuis. Als ik het verkeerd uitspreek, klinkt het een beetje alsof ik hier gecolloqueerd ben.
(Toen ik de kamer zag, dacht ik dat ook even: hier zit ik nu, in mijn cel. Schrijvers hebben niet veel nodig. Een kamer, een bed, een bureau, een stoel, een lamp, een raam. Zoveel verschilt dat niet van cellen of psychiatrische inrichtingen. Maar ik mag gelukkig mijn kamer in en uit wanneer ik wil. Er zijn hier zelfs fietsen. En ik kan praten met andere schrijvers.)
Mijn verblijfplaats de komende maand is een plek waar schrijvers van over de hele wereld in rust kunnen werken als ze een kamer voor zichzelf willen. A room of one’s own. Wat Virgina Woolf elke vrouw wenste, beleef ik hier nu in het echt. Ik lees dat Toni Morrison hier ook heeft verbleven. Umberto Eco. Günter Grass. Maakten zij ook nachtelijke dwaalsessies door dit huis?
Het is nog maar mijn eerste dag, in het huis wonen op dit moment nog maar drie mensen. Een vertaalster uit Oekraïne, een schrijfster uit Gaza, en ik. Is het toeval? Ik ken de schrijfster uit Gaza nog maar één dag en ze is nu al een lichtpunt. Een beetje zoals de honderdjarige kastanjeboom naast mijn raam. In de keuken geeft ze me een Actimel opdat ik goed kan schrijven.
Ik begrijp niet hoe de tijd werkt. Eerst was dit een directeurswoning, daarna een marine-labo, daarna een casino en uiteindelijk een refuge voor schrijvers. Herhaalt de geschiedenis zich? Bestaat toeval of niet? Gaan we voor- of achteruit? Ik kijk naar het bevroren meer. Aan de overkant van de Wannsee staat de villa die ik ken uit de geschiedenisboeken.