Berlijn is ondoordringbaar, totaal gespleten, elke straat is een brokstuk uit een andere tijd


Gepubliceerd in De Standaard - 4 februari 2026

Met elke stap die ik zet, bots ik op de geschiedenis van Berlijn. Het is -10 graden en over de hele stad hangt een witte mist. Ik koop een oud paar ijsschaatsen en glijd over de Schlachtensee. In de ijskou bezoek ik oude stukken van de Berlijnse muur in de Bernauer Straße. Ik lees de biografie van Charlotte Salomon en ga naar haar oude huis. En in het oude zwembad van Charlottenburg ga ik op zoek naar warmte. Na het zwemmen kun je je haar drogen in ruil voor stukjes van vijf cent, die de badmeester me toeschuift. Op de oude droger staat: Made in West-Germany.

Berlijn is ondoordringbaar, totaal gespleten, elke straat is een brokstuk uit een andere tijd. Ik had gedacht hier veel Duitsers te ontmoeten. Maar de meest intieme gesprekken heb ik met Alaa Al Qaisi, een dichteres en vertaalster die pas in september uit Gaza is ontsnapt. We zijn bijna even oud en wandelen samen door Berlijn. Ik probeer haar de stukken van de stad uit te leggen die leraren mij ooit beschreven. Dit is de Brandenburger Tor. Hier stond een muur. Dit is de Rijksdag. En Duitsers houden van pretzels.

“No one leaves home unless home is the mouth of a shark”, zegt Alaa uit haar hoofd.

In de boekenwinkel wijzen we naar alles wat we in onze vorige levens kenden: Yeats! Rumi! Woolf! Dickinson! Lao Tse! Plath! Rilke! Het ontroert me dat Rilke ons samenhoudt. We kennen allebei passages uit Briefe an einen jungen Dichter uit ons hoofd. Alle dagen brengen we samen door. Tijdens onze wandelingen beginnen mijn woorden hun betekenis te verliezen. Het is vreemd om te zeggen dat je honger hebt tegen iemand die een jaar geleden uitgehongerd was. Het is vreemd om te zeggen dat je soms zo moe bent van de dingen. Moe, honger, pijn, verdriet. Het zijn woorden waar rek op zit. Net als het begrip thuis.

“No one leaves home unless home is the mouth of a shark”, zegt Alaa uit haar hoofd. Ze citeert Warsan Shire en kijkt me met haar donkere ogen aan. Ik voel me verbonden met haar, we kopen samen tulpen en dwalen uren door boekenwinkels. Sneeuw valt op onze hoofden. “Dit is mijn eerste sneeuwvlok ooit”, zegt ze. Ze kent de donkere januarimaand van de poëzie, nu pas ervaart ze haar voor het eerst in het echt.

Geruisloos lopen we langs herinneringsbordjes. Hier waren de nazi’s. Hier waren de Sovjets. Hier viel de muur. En vandaag? Het woord genocide wordt overal angstvallig vermeden. Niemand durft een lijn naar het nu te trekken. De Duitsers met wie ik praat, praten liever niet over vroeger.

‘s Avonds gaan Alaa en ik naar de Kino naast de Zoologischer Garten. We kiezen voor Hamnet en kijken met open mond. Ik dacht dat de film over Shakespeare zou gaan. Maar het gaat over vrouw zijn. Over rouw. Ik bijt op mijn lippen om niet luidop te wenen. Het gaat over het leven en de dood. Wat bezielde me om Alaa hier naartoe te nemen? Uit mijn borstkas komt een diep verdriet dat ik niet meer kan controleren. “To be or not to be.” Trillend geeft ze me een zakdoek. We wenen in het donker. Met onze gezichten nat van de tranen lopen we daarna arm in arm de vriesnacht in.

Een schrijver kan niet verzinnen wat we hier samen meemaken.