Baas over je eigen tijd
Gepubliceerd in De Standaard - 4 maart 2026
Ik zit op een bankje in de zon. Nu het warmer wordt, laat ik alles vallen en ga ik met mijn gezicht in de zon zitten. Alsof het licht dat op mijn ogen valt, mij iets laat zien. Heel goed weet mijn hart dan wat belangrijk is.
Al maanden twijfel ik erover om meer ruimte te maken in mijn agenda. Grote gaten met niets vullen, zodat de tijd weer van mij is. Ik heb een horloge gekocht, maar ik voel me er nog steeds niet de baas van. Ik wil een meester in de Kairos worden – voelen wanneer het moment daar is, en er dan zijn. Het boek Kairos van Joke J. Hermsen ligt al jaren naast mijn bed.
Mensen zeggen vaak: “Ik moet, ik moet, ik moet.”Ik neem mijn papieren agenda en streep alles door.
Nooit schrijft iemand in zijn agenda: “Gaan zitten en naar de bomen staren.” Of: “Wandelen naar het zwembad.” Patti Smith zegt dat ze de tijd mist toen mensen nog dagdroomden op straat. Je zag iemand fluiten, strompelen, dwalen. Zo iemand wil ik worden. Een vriendin van mij maakt ’s avonds een wandeling en laat haar gevoel dan beslissen. Links, rechts, links, rechts. Zonder plan, genieten van het licht van de maan en de frisse lucht.
Ik zit met mijn gezicht in de zon en denk aan alles wat moet. En dat mensen zo vaak zeggen: “Ik moet, ik moet, ik moet.” Ik neem mijn papieren agenda en streep afspraken door. En ik doe waar ik al nachten over denk. Ik ga mijn pianoleraar bellen en zeggen dat ik ermee stop. (Iemand heeft mij ingeprent dat je de dingen moet afmaken. Niet opgeven. Je aan je afspraken houden. Engagement tonen.) Ik voel nu al dat ik als een slang mijn huid verlies. Ik word iemand anders. Iemand die geen hobby’s meer heeft, maar tijd en lucht.
Ik bel mijn lieve pianoleraar en onze stemmen kwispelen als jonge honden. We hebben zoveel samen naast een piano gezeten en altijd was hij vrolijk.
“Ik ga ermee stoppen”, zeg ik.
“Jammer”, antwoordt hij. “Maar ik begrijp het. Je hebt er tijd voor nodig.”
We zwijgen. Dan vraag ik hoe het met hem gaat.
“Goh.”
Hij is stil.
“Nu de zon schijnt, gaat het beter. Maar ik denk dat ik maar eens naar de dokter moet. Ik denk…”
Hij zoekt naar woorden.
Het woord burn-out hangt tussen ons tweeën aan de telefoonlijn.
“Je hebt tijd nodig”, zeg ik.
“Ja”, zegt hij.
We lachen en slikken. Dit telefoongesprek gaat alle kanten op.
“Misschien kun je morgen naar de dokter gaan?”, zeg ik.
Hij stemt toe.
En dan bedank ik hem voor de liefde die hij mij teruggaf, na jaren van niet spelen.
“Bedankt om te bellen”, zegt hij.
“Jij bedankt.”
“Tot later!”
“Tot ergens”, zeg ik. “In deze stad. In een andere stad. Of in Schotland.”
Omdat ik weet dat hij van Schotland houdt, net als ik.
“Wow”, zegt hij. “Ik denk er al een paar nachten aan om in de Highlands te gaan wandelen. Ken je dat boek, Het zoutpad?”
“Ja! Ga naar dat zoutpad! Dat verdien je.”
Ik zit met mijn gezicht in de zon. Er zit een brokje in mijn keel. Misschien was dit het juiste moment om te bellen. Misschien was dit Kairos. Het is stil en het licht valt op mijn ogen. Mensen kunnen mij ontroeren, denk ik. En dat mag ik nooit verliezen. Nooit.