De zomer is een
appelsien om in te bijten




Zomeressay in De Standaard
Juni 2023

Zomer in de stad is naakt met je buik tegen de rug liggen van iemand met wie je een hele nacht hebt gedanst. Het is overleven op watermeloen en raketijsjes, het is ruiken naar aftersun en filtersigaretten.

Door Yelena Schmitz
Foto’s Sepideh Farvardin




De zomer is een appelsien om in te bijten

I

Het begint met een eindeloos lange zomer. We zijn achttien en reizen ’s avonds zonder kaartjes met de metro. We openen flessen bier met sleutels, hamers en vulpennen. We hebben een dagboek waarin we schrijven hoe het met ons hart gaat. De zomer ligt voor ons open als de hemel boven onze hoofden; zonder wolken en zonder einde. We hangen witte lakens voor onze ramen om ons te beschermen tegen de hitte van buiten. Net nog vulden we de laatste examenvragen in, nu staan we op de zevende verdieping en spugen we kersenpitten naar beneden. We ruiken naar aftersun en filter­sigaretten.

De zomer is een appelsien om in te bijten. We eten vruchten met vel, we slikken klokhuizen in. We eten pikante pepers en blussen onze monden met melk. We komen overal te laat omdat er onderweg dingen gebeuren die niet voorzien waren. We hebben geen kalenders, hooguit een Nokia waarop we elke dag een getal zien verschuiven. We weten dat liefde niet bestaat, al onze ouders zijn gescheiden.


Zomer in de stad is naakt met je buik tegen de rug liggen van iemand met wie je een hele nacht hebt gedanst. Het is indommelen en dromen van bergen en watervallen. Het is de weg kwijtraken en verder lopen op blote voeten. Het is cassis en in de schaduw schuilen en voicemails en een matras op de grond en kajak en ayran.

II

Zomer in de stad is overleven op watermeloen en ­raketijsjes en terugdenken aan alle kampen waar je ooit was, met grenadine en kampvuren en waarheid, durven of doen. Weet je nog hoe die zomer was? We waren veertien en aten cornflakes. Weet je het nog? ’s Nachts lagen we op luchtmatrassen en luisterden we naar al het ademen in het donker.

We probeerden onze slaapzakken aan elkaar te ritsen.

Op de laatste dag van het kamp beloofden we dat we elkaar elke ochtend goeiemorgen en elke avond slaapwel zouden wensen. Zo zouden we elkaar niet vergeten. We hebben het een halfjaar volgehouden.

Er is een foto van ons, die zomer.

De leiders van het kamp voorspelden het zwarte gat. Het zwarte gat waar iedereen in valt na het kamp. Er zitten zwarte gaten in ons universum. We komen terug thuis met onze rugzakken en er zit leegte in onze buiken. We waren samen en nu zijn we alleen.

Stop.


III

In de zomer loopt de tijd anders. Hij is vloeibaar als honing en kleeft alle dagen aan elkaar. Uren hebben geen grenzen meer – dagen en nachten vloeien in elkaar over. Je bent achttien, maar evengoed ben je achtenveertig. Het is 2023, maar evengoed is het 1993.

Je herinnert je die ene nacht in de zomer van 2004.

(Dit is het verhaal dat je nooit aan iemand verteld hebt.)

(Niet doorvertellen.)

Je bent uitgenodigd op een feest. Samen met honderd anderen word je verwacht op deze avond, in deze stad. En net als de anderen heb je een tandenborstel meegebracht en twee setjes kleren: een voor het feest en een voor de volgende dag. Net als de anderen drink je verveeld van je drankje – de glazen worden snel bijgevuld. De mensen naast je zweten. Je verwacht weinig van deze avond.

Tot er iemand tussen al die mensen staat die lijkt te glimmen als een kristal. Zijn rug geeft bijna licht. Het is moeilijk niet naar zijn schouders te kijken. Zijn stem doorkruist de ruimte, het is onmogelijk om hem uit het geheel weg te filteren. Zoals de baslijn in een nummer, als je ze eenmaal hebt gehoord, kun je ze niet meer wegdenken.

Je kijkt de zaal rond. Je weet hoe het gaat. Het ­begint bij een hand op een schouder leggen, twee drankjes halen, anderen laten praten en op hetzelfde moment in elkaars ogen kijken, samen buiten een sigaret op een trapje roken, een hand op een bovenbeen leggen, zijn stem van dichtbij horen, en je afvragen hoe die zou klinken naast je oor. Je denkt dat niemand het aan je kan zien, dat ongelooflijke verlangen, dat het niet op je afstraalt, maar je ademt het bijna uit.

Het is het vlees dat onder zijn hemd zit willen kennen, de groeven naast zijn ogen, het gevoel dat de tijd stilstaat en de nacht nooit voorbijgaat. Het is een middelvinger naar je moeder, je schooldirecteur, iedereen die zei dat je verantwoordelijk was. Je wilt dansen. Je wilt verscheurd worden door piranha’s. Je wilt opnieuw in het zesde middelbaar zitten, Bonnie en Clyde zijn, je wilt croissants eten en katers hebben, je gsm in het kanaal gooien, nooit meer op je werk opdagen, hier blijven. Je wilt in zijn enkel bijten en met je vinger over zijn wenkbrauwboogje gaan. Je wilt tegen hem zeggen dat je het altijd al wist, het was onvermijdelijk, het stond in de sterren geschreven. Je wilt hem. Het betekent niets, zeg je tegen jezelf. Het stelt alles voor, zeg je tegen jezelf. Met hem zijn betekent dat je je lip op die van hem legt en zachtjes met je tong over elke roze vezel glijdt, een mond, een bovenlip, een tong, een wang.

(Dit zijn beelden in je hoofd. Er is nog niets gebeurd.)

Je moet op het juiste moment toeslaan. Je moet bij het groepje staan en zo lang mogelijk zwijgen, alleen af en toe kijken, opduiken waar hij heen gaat en hem later op zijn rug tikken. Er zijn geen woorden voor nodig. Het zal vanzelf gaan. Hij zal met je dansen. Hij zal bijna op zijn knieën voor je gaan.

Je danst in een carrousel van slome volwassenen. In hun gezichten zie je de gezichten van kinderen. Je ziet met hoeveel moeite ze hun haren hebben gevlochten en hun veters gestrikt. Dat eeuwige verlangen om erbij te horen en bemind te worden, het zit er nog steeds in.

Je zoekt zijn blik op de dansvloer. Zijn heupen volgen jouw ritme. Er is niets dat je liever zou willen dan opnieuw achttien te zijn, elkaar vastgrijpen en beet­nemen, tegen een muur drukken, de controle over­nemen over een zacht lichaam. Achter je danst hij, hij is zich nog steeds van niets bewust, hij zal straks in je armen slapen.

(Dit zijn nog maar beelden in een hoofd. Op dit moment is er nog niets gebeurd.)

IV

We dansten met glas in onze voeten zonder dat we het voelden.

Herinner je je die nacht nog?

Na het feest vielen we elk in een zwart gat. Het had iets te maken met getijdenkrachten. Astronomen kunnen het uitleggen. Een zwart gat is een gebied in de ruimte waar de zwaartekracht zo sterk is dat er niets uit kan ontsnappen, zelfs geen licht. We dachten dat we onherroepelijk in het zwarte gat zouden verdwijnen als een verzameling losse elementaire deeltjes.

Zoiets kende ik alleen van het zomerkamp waar ik ooit heen ging.

Er is een foto van ons, die nacht.

We zagen elkaar op de langste dag van het jaar en wilden samen uit de tijd vallen. Hoe kunnen we de nacht zo lang mogelijk doortrekken? Wanneer eindigt een dansfeest? Hoe maken we dat niets voorbijgaat?

We waren samen en nu zijn we alleen.

Stop.

V

Het begint op de langste dag van het jaar. We zijn achtentwintig en fietsen langs het kanaal. In onze rugzakken zitten korenbloemen die we in de bermen hebben geplukt. We hebben een dagboek waarin we schrijven hoe het met ons hart gaat. Onze spaarrekening is leeg. De stad is een aaneenschakeling van punten waar we hebben gedanst en gevreeën. Net nog zongen we onze stemmen hees, nu liggen we ­lepeltje-lepeltje in het park. Misschien blijven we hier wel twee maanden slapen. De afdruk van het gras staat in onze billen. We ruiken naar zweet en vlierbloesemlimonade.

De zomer is een laken om onder te verdwijnen. Op de langste dag van het jaar staat de zon het hoogst aan de hemel. De stad is voor wie in haar slaapt. Dat zijn wij. Zie ons hier liggen in het park. We kennen de bomen, de deurbellen, de goten en de rekken in de winkels. We kennen de bars en de toiletten en de namen op de deuren. Wij gaan niet naar het noorden en niet naar het zuiden. Wij blijven hier. In Amsterdam sluiten de cafés om 1 uur ’s nachts. In Parijs betaal je 7 euro voor een cola. In Brussel gaat het feest door in de gangen van de metro. Wij willen twee maanden ononderbroken bij elkaar zijn. Onze huiden zijn verbrand, onze harten een paar keer gebroken. We dragen onze blaren als medailles.

We zijn niet teruggekeerd naar de dorpen waar we vandaan kwamen. We willen niet terug naar de kinderkamers waar de lakens liggen waar we ons ­hele leven onder hebben geslapen. Het is vreemd om te zeggen, maar in het fijnstof van de stad voelen we ons minder benauwd dan bij de blikken van de buren.

Ze vertelden ons dat de stad vuil was, maar we zagen haar blinken als kristal. Ze vertelden dat liefde niet blijft duren, maar we komen haar elke nacht tegen. Zo gaat het en zo zal het altijd gaan. We rijgen de zomers als kralen aan elkaar en dragen ze als kettingen rond onze nekken.

Zomer in de stad is naakt met je buik tegen de rug liggen van iemand met wie je een hele nacht hebt gedanst. Het is indommelen en dromen van midzomernacht en matrozen. Het is één grote out-of-office, een dansfeest dat nooit voorbijgaat, een rolluik dat twee maanden neergelaten blijft. Het is vergeten wie je in januari was, het is nog niet weten wie je in september zult zijn. Het is de geur van verbrand vlees en huisfeesten en nachtwinkels, waterpijp en citroenschijfjes en klaprozen en tapdansen en verlangen en vlinderslag.